Ik heb de toelichting bij het wetsvoorstel diagonaal doorgelezen. Twee opmerkingen.
1. De 5 km-normAls ik de toelichting goed lees, wordt er in de wet zelf geen 5-kilometer-norm voor de beschikbaarheid van geldautomaten vastgelegd, maar worden er na aanname van het wetsvoorstel "op besluitniveau", dat wil zeggen op een lager niveau, bijvoorbeeld bij algemene maatregel van bestuur (AMvB), normen gesteld. Dit geeft de regering flexibiliteit om de norm straks af te stemmen op de praktijk.
Het lijkt me trouwens (puur op grond van gezond verstand) dat het bij zo'n 5-km-norm zou gaan om de afstand tot woningen van mensen. Dus er zouden zeker geen "7 pin-automaten op de Afsluitdijk" verplicht worden gesteld.
Ik ben het met andere reageerders eens dat een 5 km-norm op zichzelf volstrekt onvoldoende is. Stel je hebt een dorp van 5000 inwoners en vier kilometer verderop een dorp van 7000 inwoners. Dan moet er in de bebouwde kom van dat dorp of die dorpskern van 5000 inwoners echt wel een geldautomaat staan, anders zou deze nieuwe wet een lachertje zijn. Of stel je hebt een stad met 50.000 inwoners, met een bebouwde kom van ca. 3 bij 3 kilometer. Dan zou het volstrekt belachelijk zijn als er in die bebouwde kom geen geldautomaat zou staan, of als er in het (winkel- en uitgaans-)
centrum van die stad geen geldautomaat zou staan.
Nog een voorbeeld. De stad Arnhem heeft een groot, internationaal treinstation. Vanuit dat station gaan er treinen richting Utrecht-Amsterdam-Schiphol, Utrecht-Den Haag, Zutphen-Deventer-Zwolle (met zijtakken naar Apeldoorn en Enschede), Nijmegen-Den Bosch-Roosendaal, Tiel, Winterswijk en Oberhausen-Duisburg-Keulen. Toch staat er op dat station sinds een jaar of vijf geen enkele geldautomaat meer. Waarschijnlijk omdat NS en de banken van cash afwilden. Op "besluitniveau" zou er dus een verplichting voor NS (of andere stationseigenaren, maar die zijn er nu niet) èn voor de banken moeten worden opgenomen om op elk centraal treinstation van een gemeente met meer dan 50.000 inwoners ten minste één werkende geldautomaat te realiseren.
2. DoenvermogenInteressant vind ik dat er in de toelichting bij het wetsvoorstel een paragraaf (6.2) is gewijd aan "doenvermogen". Die begint als volgt:
6.2 Doenvermogen
Dit wetsvoorstel raakt aan aspecten van het doenvermogen van burgers en het kleinbedrijf. Doenvermogen is het vermogen om in actie te komen en vol te houden, zelfs bij tegenslagen. Het draait dan niet zozeer om mensen hun cognitieve vermogens zoals intelligentie of digitale vaardigheden, maar om hun niet-cognitieve vermogens. Dit doenvermogen komt bij alle mensen sterk onder druk te staan bij te veel stress, zoals door levensgebeurtenissen. Er kunnen ook andere redenen zijn voor laag doenvermogen, zoals het hebben van een bepaalde beperking. Als mensen dan niet de juiste acties ondernemen is dit niet per se een kwestie van niet willen, maar kan dat ook een kwestie zijn van (onvrijwillig) niet kunnen.
Het wetsvoorstel richt zich in eerste instantie tot banken en geldtransportondernemingen. De connectie van het wetsvoorstel tot rekeninghouders is dus indirect. Desalniettemin zijn aspecten van doenvermogen relevant. De relevante doelgroepen van dit voorstel zijn particuliere en kleinzakelijke rekeninghouders. Relevant is dat juist mensen in kwetsbare posities extra afhankelijk kunnen zijn van contant geld. Het gaat daarbij onder meer om mensen met een visuele of mobiele beperking, senioren, mensen met een licht verstandelijke beperking of niet-westerse migratieachtergrond. Het voorstel is erop gericht dat alle betaalrekeninghouders, met inbegrip van mensen in kwetsbare posities, naar eigen behoefte of voorkeur contant geld kunnen opnemen en storten, zonder gehinderd te worden door slecht bereikbare of niet beschikbare geldautomaten, te hoge tarieven of onredelijke voorwaarden. (...)
Het is goed en belangrijk dat er vanuit de wetgever erkenning is voor de
praktische effecten van een wet op het leven van mensen. Want de technocratisering van de maatschappij heeft op veel mensen een verlammend, passief makend effect. Als je als mens niet langer het gevoel hebt dat je reële invloed kunt uitoefenen op je eigen levensomstandigheden, dan slaat dat bij veel mensen naar binnen. Soms gaan ze dan bijvoorbeeld veel snoep eten en worden obees. Of ze krijgen psychische klachten die het allemaal nog erger maken. Het is bekend dat de mate waarin mensen in moeilijke omstandigheden nog wel "agency" ervaren, vaak van grote invloed is op de mate waarin ze in staat zijn die omstandigheden zonder traumatisering te doorstaan.
Ik hoop dat de doelstelling van het wetsvoorstel om het doenvermogen van mensen te beschermen en te bevorderen, straks ook tot uiting komt in de besluitvorming over de normstelling voor de bereikbaarheid van geldautomaten. Zodat mensen er straks ook echt wat aan hebben, d.w.z. dat de wet hun vermogen om actief te leven en zelf keuzes te maken niet alleen op papier beschermt, maar ook echt.
M.J.